DSC01694.jpg

Van onze correspondent.

RIJSWIJK,


“Ik loop al heel wat jaren mee, maar je komt dingen tegen die je niet voor mogelijk houdt.”

Opgetekend uit de mond van Jan Schoonhoven (53), hoofdopzichter bij BOUWSTAD.

“Ik ben begonnen als krullenjongen en heb het vak dus van onderaf moeten leren. Het heeft echt grote voordelen als je in de uitvoering begint. Je ondergaat iedere werksoort zelf aan den lijve. Alles gaat door je handen en je groeit als het ware met de bouw mee.”


Je bent in het aannemersvak opgegroeid. Hoe is dat gegaan ?

Ik ben op een gegeven moment zoals dat heet voor mezelf begonnen met een aannemersbedrijf. Het was in de goeie tijd. We groeiden als kool en voor dat ik het wist bestonden mijn dagen uit administratie, leiding geven, problemen oplossen, plannen, regelen, ’s avonds calculeren en in het weekend de boekhouding.” Dat werd me dus na een aantal jaren teveel.


Je kwam haast niet meer buiten.

“Dat niet alleen. Je verliest uit het oog wat er buiten gebeurt en dat is waar ik eigenlijk wil zijn, daar gebeurt het. Maar die tijd ligt alweer ver achter me.”


toezicht01Je bent omgeschakeld naar de opdrachtgeverskant. Was dat niet verschrikkelijk wennen ?

“Ja, eigenlijk wel. In het begin dacht ik op de bouwplaats nog teveel als aannemer en gaf voor problemen die er waren meteen een oplossing aan zoals ik dacht dat goed was. Dat wilde niet zeggen dat ik niet kritisch was op de gang van zaken op de bouwplaats, maar je bent oplossingsgericht en dacht daarmee de aannemer te helpen bij de voortgang. Dat doe je ook wel, maar dat hoort niet tot je opzichterstaak.”


Moet de toezichthouder dan passief zijn en problemen pas controleren als ze er zijn ?

“Nee, natuurlijk niet. En ook niet achteraf iets afkeuren terwijl je allang had kunnen zien aankomen dat het niet goed is.”


Waar moet een toezichthouder dan volgens jou aan voldoen ?

“Nou dat is niet moeilijk te beantwoorden. BOUWSTAD heeft op de website een profiel staan hoe een opzichter van BOUWSTAD in elkaar moet zitten. Ik zeg altijd: spiegel je daar aan, dan weet je waar je staat en waar je eventueel nog aan moet werken”.


Daarmee is de vraag wel beantwoord hoe een opzichter in elkaar moet zitten, maar wat kom je “aan de andere kant”, bij de aannemer dus, zoal tegen ?

“De bouw kent al langere tijd heel veel verschillende spelers die samen moeten bouwen. Vaak heeft ieder project weer een andere set van spelers.”


Wie zijn die spelers dan ?

“Dat zijn de architect, de constructeur, de installatie-technische adviseur, de adviseur brand-veiligheid, de adviseur bouwfysica, de hoofd-aannemer, de vele toeleveranciers, de vele onderaannemers, de veelheid aan installateurs en hun onderaannemers en leveranciers en ga nog maar een tijdje door.”


Maar die partijen hebben zo langzamerhand toch wel geleerd om met elkaar samen te werken ?

“Dat zou je wel denken, maar dat ligt in de praktijk moeilijker. Uiteindelijk ervaar ik dat letterlijk iedere partij primair voor zijn eigen belangen opkomt. Dat is hun goed recht, maar dat levert situaties op waarin de toezichthouder samen met de directievoerder het overzicht moet zien te houden om alle deelinspanningen samen te brengen.”


Ben je dan als toezichthouder meer een coördinator en minder een ouderwetse opzichter die sterk op de kwaliteit van zaken let ?

“Allebei tegelijk. Bij de te leveren kwaliteit van materialen bijvoorbeeld word je geholpen door attesten, certificaten en dergelijke die een steun zijn om de gelijkwaardigheid met het bestek te controleren en vast te stellen. En laten we eerlijk zijn: de esthetische en technische kwaliteit zit als het ware al in de genen van de toezichthouder. Nee, waar ik zelf door ervaring en soms heel vervelende ervaring, sterk op let is of de hoofdaannemer zodanig het overzicht op het bouwproces en het vorderende bouwwerk kan houden dat het op een veilige manier marcheert.”


toezicht02Wat bedoel je precies met veiligheid ?

“In de eerste plaats de letterlijke veiligheid voor de mensen op de bouwplaats. Ondanks het hebben van VCA, het houden van toolbox meetings en dergelijke, komt er een moment of zelfs meerdere momenten, in het bouwen waarop de onverschilligheid toeslaat. Ik noem dat het moment van bouwblindheid. Ze beginnen enthousiast met het afzetten van verdiepingsranden, het afdichten van sparingen, het weghalen van losslingerend materiaal op de vloer, het dragen van alle PBM’s en noem maar op. Totdat er als het ware opeens een moment komt waarop je tijdens een controleronde een ladder ongeborgd ziet staan, die maar anderhalve sport boven de verdiepingsvloer uitsteekt en die de enige vluchtroute is voor een verdieping van 5.000 m2. Je ziet ongemarkeerde, niet dichtgelegde vloersparingen. Er zijn prefab gevelelementen van ieder gemiddeld zo’n 4 ton dicht op elkaar op een kanaalplaatvloer in tussenopslag gezet: de onderliggende balk tekent zich al door scheuren in de druklaag af. Je gaat verder en ziet dat gains van prefab wanden nog niet zijn afgestort, maar dat er al wel een prefab wand bovenop is geplaatst. Je ziet dat er 4 betonplaten van ieder 3 ton schuin tegen een hoge slanke kolom zijn neergezet….”


En dat allemaal op één dag ?

“Ja, je weet dan dat de bouwblindheid is ingetreden en dat je de club even goed wakker moet maken. Je moet er eigenlijk 40 uur per week bovenop zitten. Besparen op toezicht is levensgevaarlijk”.


Jan verlaat de keet voor een volgende controleronde.